Op expeditie in de Mergui-archipel in het zuiden van Myanmar.

Een foto van het artikel 'Het geheim van Laos' in National Geographic Traveler.

VOOR

National Geographic Traveler

WAT

reisreportage

WANNEER

juni 2017

De hitte in de hut maakt het ondraaglijk om nog langer te blijven liggen. Het is nog niet eens zes uur ’s ochtends, maar ik besluit toch op te staan. Slaperig steek ik mijn hoofd uit het dakraam en bijna zou ik denken dat ik nog helemaal niet wakker ben: op nog geen honderd meter zie ik een wit strand, daarachter niets anders dan de dichte, donkergroene begroeiing van de jungle. In de baai liggen zilvergrijze rotsen op een merkwaardige manier op elkaar gestapeld, alsof een reus – heel zen – met zijn kiezels een steenmannetje heeft gemaakt. Het helblauwe water stoort zich nergens aan en glinstert in de ochtendzon.

‘Welcome to paradise’, zegt Manuel, die tot diep in de nacht heeft doorgevaren om bij Boulder Island te komen. Het is een van de ongeveer achthonderd eilanden van de Mergui Archipel, die in allerlei vormen en maten opduiken uit de Andamanse Zee, parallel aan de kust van Zuid-Myanmar. Het gebied is nog nauwelijks door toeristen bezocht: niet alleen omdat een peperdure cruise zowat de enige optie is om er te komen, maar ook omdat het ten tijde van het militaire regime vrijwel onmogelijk was naar het zuiden af te reizen. Het enige reisboek dat ik over Mergui kon vinden stamt uit 1930 en is het persoonlijke verslag van de Britse handelaar Leopold Ainsworth. Hij begint een zagerij op een van de eilanden en huurt Moken, de zeenomaden die van oudsher het gebied bevolken, in om hem te helpen. Toch is het leuk om te lezen, omdat hij oprecht geïnteresseerd is in hun cultuur.

Ik wrijf nog eens in mijn ogen, klim de hut uit en ga op het dek zitten. Ik blijk niet de enige die vroeg wakker is: de geur van koffie stijgt op uit de kombuis, waardoor het dek zich langzaam vult met cafeïnebehoeftige avonturiers. Ik ben aan boord van de SeaNomad, de onderzoekscatamaran van Project Manaia. Deze ngo is opgericht door de Oostenrijker Manuel Marinelli, naast schipper ook maritiem bioloog, die zijn krachten bundelde met de Amerikaanse cartograaf William Ruzek, van het Mergui Archipelago Biodiveristy Research. De Duitse veldbiologe Franzi Weiser sloot zich dit seizoen aan bij het gezelschap. Project Manaia wil wetenschappers een platform bieden om langere tijd onderzoek te kunnen doen in de Mergui Archipel. Maar ook als ‘ecotoerist’ kun je deelnemen aan een expeditie: het is dan niet alleen  island hoppen, maar je assisteert bijvoorbeeld bij experimenten.

Die middag gaan we aan land en wandelen door de jungle naar Moken Bay, waar Manuel laat zien hoe je een ‘microplastics sample’ neemt. Iets beneden de vloedlijn teken ik een vierkant van vijftig bij vijftig centimeter, om vervolgens het bovenste laagje door twee zeven te scheppen, de onderste met mazen van een halve millimeter. Wat daarin overblijft gaat in een buisje, zodat de inhoud later in het lab getest kan worden op de aanwezigheid van microplastics.

‘Dit moeten we meesmokkelen naar Europa’, zegt Manuel geheimzinnig als we weer een buisje gevuld hebben. Verbaasd kijk ik op van mijn emmer en schepje. Op het oog lijken het alleen minuscule steentjes en stukjes schelp. ‘Het is verboden om ook maar iets van het eiland mee te nemen’, zegt Manuel. ‘Maar een paar buisjes in je toilettas in je koffer, dat merkt niemand’, grijnst hij. Toch ben ik blij dat ík de buisjes niet hoef te verstoppen, want als we klaar zijn met het eerste strand – er zijn vijf samples afgenomen, op vijf meter van elkaar – hebben we er al elf gevuld.

Kwetsbaar koraal

We hiken verder over Boulder Island naar de andere baaien. De weg voert over rotsblokken en door dichte jungle. Vogels vliegen af en aan en op ieder strand wemelt het van de heremietkreeften. Ik denk aan Ainsworth, die in zijn boek meerdere gevaarlijke ontmoetingen met cobra’s beschrijft. Zenuwachtig volg ik onze gids Lulu, die verplicht mee aan boord moet, maar nauwelijks Engels spreekt. We worden daarnaast begeleid door een van de jongemannen die sinds kort op het eiland woont, om te helpen bij de bouw van een kleinschalig ecoresort. De eigenaar, Bjorn Burchard, zet zich samen met Project Manaia in om van het eiland en het rif een ‘No Take Zone’ te maken om een einde te maken aan illegale houtkap, stroperij en overbevissing.

Tijdens de wandeling is het moeilijk te bevatten dat het gebied zoveel te verduren heeft gehad, maar als we later aan het snorkelen zijn wordt duidelijk hoe precair de situatie is. Hoewel we prachtige vissen, kleurrijke kerstboomwormen en zelfs een zeeslang zien, blijkt verder uit de kust een flink deel van het koraal beschadigd door dynamietvisserij. Er ligt een enorme viskooi op de zeebodem en er is een visnet verstrikt geraakt in het rif, dat Manuel gelukkig weet los te krijgen. ‘En dit is nog maar een klein stukje van één baai’, verzucht hij, als hij de rommel aan land brengt. ‘Maar er is hoop’, beurt hij iedereen op. ‘We hebben een kwetsbare soort koraal gespot, de Heliopera coerulea. We hopen dat dit een extra motivatie is voor de regering om de archipel beter te beschermen.’

Kaarten maken met sonar

Een hond loopt druk snuffelend over het strand. Zijn poten zakken diep weg in het mulle zand, maar het lijkt hem niet te deren. Krabben vluchten hun eerder gemaakte holletjes in als het beest in de buurt komt. Toch moet hij er genoeg gevangen hebben, want het dier ziet er niet slecht uit. ‘Hij is vast ooit door vissers achtergelaten’, zegt William. Met de sloep varen we zo dicht mogelijk langs de kust van St. Pauls Island, waar de SeaNomad eerder die dag in de noordelijke baai voor anker is gegaan. Voorzichtig varen we over het rif, om te kijken of het diep genoeg is om aan land te gaan. Bij ieder eiland verzamelt William sonardata, waarmee hij later gedetailleerde kaarten maakt. ‘Kijk, die geul in het midden staat bij vloed mogelijk helemaal tot de andere kant onder water.’ William stuurt de sloep naar de geul toe. Twee neushoornvogels slaan hun enorme vleugels uit, met een paar slagen zijn ze diep het bos in gegaan. ‘Wist je dat neushoornvogels hun hele leven bij elkaar blijven?’, vraagt William terloops. Het water blijkt te ondiep om verder te gaan.

Terug aan boord van de catamaran maken we een verkenningsplan voor de volgende dag. Met de sloep én de kajak gaan we aan land, om door de mangrove te klimmen en in de jungle naar sporen te zoeken. ‘Misschien kunnen we aan de andere kant komen’, zegt William, die niet kan wachten. Plotseling springt Lulu, die op het dek zat te roken, in de kajak en peddelt als een gek richting het eiland. Bezorgd kijken we elkaar aan, tot in de verte het geluid van een buitenboordmotor klinkt. Moken! We springen in de sloep en gaan Lulu achterna.

Op de zuidelijke kust van het eiland staat een houten huisje op palen, met kleinere hutten ernaast. Twee honden scharrelen rond, ze hebben dus toch een baasje. Het huis is verlaten, maar net achter de branding ligt een kabang, de traditionele boot van de Moken waar ze vrijwel het gehele jaar op leven. Alleen tijdens de moessonregens gaan ze tijdelijk aan land. Een vrouw en haar twee zoontjes zitten op de smalle kabang. Naast hen staat een grote ketel, op het vuur. Lulu wisselt enkele woorden met hen in het Birmaans, maar hij is niet in staat ook maar iets naar het Engels te vertalen. Bovenal wil hij zo snel mogelijk weg.

Birmezen kijken neer op de Moken, had ik al begrepen uit het werk van de Franse antropoloog Jacques Ivanoff. Ten tijde van Ainsworth hadden de Moken voornamelijk contact met Maleisiërs en Chinezen, om opgedoken parels te verhandelen voor rijst en opium. Maar al decennialang worden ze ‘gebirmaniseerd’, zoals Ivanoff het noemt, en op allerlei manieren bedreigd in hun traditionele leefstijl. Niet alleen worden ze door de overheid gedwongen om zich aan land te vestigen en te werken, maar ook worden ze verjaagd door grote visserschepen. Er is zelfs geprobeerd ze in een nationaal park te stoppen, als toeristische attractie. Desondanks houden nog enkele duizenden Moken stand, al hebben de meesten zich inmiddels in dorpen gevestigd.

De volgende ochtend gaan we terug, zonder Lulu. Voorzichtig lopen Franzi en ik naar de nederzetting. Verstopt tussen de bomen blijken nog enkele bamboe huisjes te staan. Hier en daar staan grote plastic tonnen, vermoedelijk om regenwater op te vangen. In een hangmat tussen twee palmbomen wiegen de jonge vrouw en haar echtgenoot heen en weer, terwijl hun kinderen in het zand spelen.

‘Hallo’, zegt Franzi. Ze legt in het Engels uit dat ze wil weten welke dieren er op het eiland leven door foto’s te laten zien. De man staat op en gaat naast ons zitten. Bij de eerste foto schudt hij resoluut zijn hoofd. ‘Geen olifanten’, lacht Franzi, niet verrast. Ze gaat verder door de selectie van Zuidoost-Aziatische zoogdieren. De man knikt bij wilde zwijnen, reuzeneekhoorns, jungleratten en herten. ‘Het is een eerste indruk’, legt Franzi uit, als we teruglopen naar de sloep. ‘Nu kunnen we gericht naar sporen zoeken.’

Door de tergende hitte besluiten we echter eerst af te koelen. We pakken onze snorkels en duikbrillen en gaan het water in. Het koraal is prachtig en het barst er van de zeenaalden. Nooit eerder zag ik deze slangachtige visjes met de kop van een zeepaardje. Als ik later terug zwem naar de kust zie ik zelfs een kleine octopus voor me wegschieten. Zou het toeval zijn dat in deze baai, waar de Moken wonen, het onderwaterleven nóg mooier lijkt?

Tweede Phuket

‘Dit is zeker een spoor van wilde zwijnen’, zegt Franzi. De puntige hoeven staan afgetekend in de modder, de grond ernaast is omgewoeld. Nog geen tien minuten zijn we op Hastings Island, de laatste stop tijdens deze expeditie. Het was nog een hele opgave om door de mangrove landinwaarts te klauteren. Niet veel later vinden we varkenshaar en –poep. Er liggen zelfs resten van een val.

‘Het is zo dubbel’, sombert Franzi, als we teruglopen naar het strand. ‘Als alle informatie openbaar wordt, kan er specifiek onderzoek gedaan worden en concretere plannen voor natuurbescherming komen. Maar als bijvoorbeeld bekend zou zijn dat hier nog een tijger zou rondlopen, zou dat nu alleen maar stropers trekken.’ William vult haar aan: ‘En dan hebben we het over de nieuwste dreiging nog niet gehad. Vastgoedontwikkelaars staan te springen om hier een tweede Phuket van te maken…’

Als we volgende dag voor de laatste keer het anker lichten om Mergui te verlaten, denk ik aan Ainsworth. The scenery was picturesque as ever, and I feel sure that it would be hard to find another group of islands to surpass these for their wild and fantastic beauty, schreef hij bijna tachtig jaar geleden toen hij vertrok. Hij heeft gelijk, en ik kan alleen maar hopen dat dit over tachtig jaar nog steeds zo is.

REISWIJZER

Mee op expeditie?

In de periode van december 2016 tot en met april 2017 staan er tien expedities van Project Manaia gepland. Om tien dagen mee te gaan aan boord van de SeaNomad dien je 1500 dollar te doneren aan de ngo, wat volledig ten goede komt aan het onderzoek, onderhoud van de boot én aan eten en drinken aan boord. Visa en lokale belastingen (ongeveer 380 dollar in totaal) en reiskosten om in startpunt Kawthaung te geraken, komen hier nog bovenop. www.projectmanaia.at

Highlights

Wie na deze expeditie toe is aan vaste grond, heeft genoeg te ontdekken in Myanmar. Dit zijn de culturele highlights.

Schwedagonpagode. In economische hoofdstad Yangon staat de grootste tempel van Myanmar, waarvan de pagode is bedekt met bladgoud. Ga binnen even rustig zitten en de kans is groot dat jonge monniken je aanspreken om hun Engels te oefenen.

Mandalay. Rudyard Kipling schreef zijn beroemde gedicht over deze stad in het noorden. Er zijn tal van trekpleisters, zoals de Kuthodawpagode, waar op marmeren platen het grootste boek ter wereld staat.

Bagan. Ga terug in de geschiedenis in Bagan: maar liefst tweeduizend tempels en ruïnes van het vroegere koninkrijk zijn bewaard gebleven en het is dan ook prachtig om over deze vlakte te fietsen.

Mount Popa. Het is een bizar gezicht: ten zuidwesten van Mount Popa is op een 737 meter hoge vulkanische plug, Taung Kalat, een klooster gebouwd. Op weg naar de top word je lastiggevallen door aapjes, maar het uitzicht maakt alles goed.

Souvenir

Grote gele cirkels sieren de wangen van vrijwel iedere Birmese vrouw: het is thanakapoeder, vermengd met water, dat wordt aangebracht als bescherming tegen de zon. Het poeder is los te koop, maar er zijn ook lekkere zeepjes met thanaka te vinden op de markt.

Smaak

In Myanmar wordt thee niet alleen gedronken, maar ook gegeten! Gefermenteerde theeblaadjes vormen de basis voor de Birmese culinaire klassieker Lahpet Thoke: een salade van onder meer theeblaadjes, tomaat en gefrituurde erwten.

Event

Myanmar staat half april bol van de festiviteiten voor het Thingyan-festival. Net als in omringende landen wordt het Boeddhistische nieuwjaar gevierd met vooral veel water: stop je waardevolle spullen in een waterdichte tas en ga het watergevecht aan met locals!