Al ruim een jaar staat Narcis, het tweede boek van Judith Fanto, in de bovenste regionen van de Hebban Rank. De roman over Manno, die op tienjarige leeftijd noodgedwongen van Haarlem naar het door oorlog geteisterde Wenen verhuist, roept vragen op over vriendschap, verraad en omstanderschap. Hebban sprak de auteur over het autobiografische element in dit boek, het slopende schrijfproces en de duistere krachten van deze tijd.

Judith Fanto leeft al ruim een jaar in wat zij ‘narcissentijd’ noemt, de tijd tussen verschijnen van een roman en het beginnen aan de volgende. Door het succes van haar tweede roman, duurt deze narcissentijd lang. ‘Ik heb nog bijna elke week een optreden,’ vertelt Fanto. ‘Ik vind het heerlijk om op een podium te staan, dat is mijn extraverte kant. Maar om een boek te schrijven moet ik naar binnen keren, die kant bloeit bij veel alleen zijn. Ik vind het lastig om weer naar die introverte kant te schakelen.’
Juist omdat ze zelf een extraverte vrouw is, wilde ze een roman schrijven over een introverte man: hoofdpersoon Hermann Loch, ofwel Manno. ‘Ik wilde een verhaal schrijven over een introverte jongen die in zijn jeugd alles en iedereen die hem lief is verliest,’ vertelt ze. ‘Daarna heeft hij niet de liefdevolle bedding om hem op te vangen. Als antwoord op dat trauma positioneert hij zich aan de zijlijn van het leven. Hij probeert wel kleine stappen te zetten in de richting van het speelveld, omdat hij voelt dat alles wat ertoe doet daar gebeurt, maar hij durft niet.’
Het speelveld waar Manno stapjes naar probeert te zetten, is zijn vriendenkring. Op een kamp om beter viool te leren spelen, in de jaren twintig van de vorige eeuw, sluit hij vriendschap met Max, Franzi, Béla, Bertl en Lotte. Voor Manno zijn zij zijn zelfverkozen familie. ‘Maar voor de rest van de vrienden staat er veel minder op het spel,’ zegt Fanto. ‘Zij hebben nog een ander leven buiten hun groepje, nog een sociaal leven, familie, een politieke club. Manno is voor hen belangrijk als vertrouwenspersoon; hij is de enige bij wie alle anderen hun geheimen kwijt kunnen. Hij is meer het bindmiddel van de groep dan het pigment.’
Autobiografisch element
Het is ook die vriendenkring die een biografisch element bevat. ‘In Max en Franzi zou je mijn grootouders kunnen herkennen. Mijn grootvader kwam uit een rijk nest, zijn vader runde een oliebedrijf, maar hij had een hekel aan de dikdoenerij in zijn familie. Hij zette zich daar uit alle macht tegen af en ging bij de socialistische jeugdbeweging. Daar leerde hij mijn grootmoeder kennen. Ze leerden daar ook nog drie andere stellen kennen, ze waren met z’n achten, echte boezemvrienden, en deden alles samen. Een van die stellen bekeerde zich in 1938 tot het nazisme, de beweging die mijn grootouders naar het leven stond.’
Fanto’s grootouders vluchtten naar België en kwamen later in Nederland terecht. Hier hadden ze werk, een woning, twee gezonde kinderen. ‘In zekere zin behoorden zij tot de “winnaars” van de oorlog,’ zegt Fanto, ’terwijl ze alles en iedereen waren verloren.’ Na de oorlog probeerden ze hun vriendschappen te herstellen, heel voorzichtig ook die met het nazi-stel. De twee woonden nog in Wenen, dat net als Duitsland door de geallieerden was opgedeeld in vier bezettingszones. ‘In dit boek wilde ik voor het voetlicht brengen hoe moeilijk het mentaal is om een oorlog te verliezen, om bij de slechteriken te horen, te worden uitgekotst. Het stel woonde in het Sovjet-deel van Wenen; daar was geen werk, geen onderwijs, geen gezondheidszorg, geen eten meer. Mijn grootouders konden hen niet opzoeken, ze wilden geen voet meer op Oostenrijkse bodem zetten, maar ze boden aan om hun kinderen mee te nemen op hun gezinsvakantie – net als in de roman.’
Historische setting
Viktor en Narcis zijn psychologische romans, tegen een historische achtergrond: het genre dat Fanto zelf het liefst leest. ‘Ik heb zoveel voorstellingsvermogen dat ik die historische setting echt doorleef. Ik voel dat ik er ben, ook al ben ik er natuurlijk niet echt. Ook de personages zijn een product van mijn geest, met wie ik tijdens het schrijven optrek – al voelen ze nooit als vrienden. Het is wel intiem om mensen te creëren die heel anders zijn dan jijzelf, en die zo dicht te kunnen naderen.’ Een speciale techniek om dicht op haar personages te zitten heeft ze niet. ‘Ik weet niet hoe ik dat níet zou moeten doen,’ lacht ze. ‘Het zit in mijn persoonlijkheid dat ik alles intens ervaar en snel geraakt word. Tijdens het schrijven zit ik regelmatig te huilen, maar ook hardop te lachen. Het is voor mij geen afstandelijk proces, daarom is het tegelijkertijd prachtig en slopend.’
Hoe emotioneel of slopend het schrijfproces ook is, Fanto houdt te allen tijde de touwtjes in handen. ‘Ik ben de regisseur: ik weet precies wat ik wil vertellen en in welke vorm,’ zegt Fanto. ‘Ik weet aan het begin al wat er aan het eind moet gebeuren en daar schrijf ik ook naartoe. De eerste zin in het boek is de eerste zin die ik schreef, wat je aan het eind leest heb ik op het laatst geschreven. Al kan ik best wel eens iets omgooien of bijstellen, maar dat gebeurt altijd heel bewust.’
Kijkje in de psyche
Fanto heeft namelijk een intentie met haar boeken, ze schrijft ze niet zomaar. ‘Kunst gaat voor mij over de bedoeling van de maker,’ legt ze uit. ‘In een museum lees ik altijd eerst de bordjes en daarna bekijk ik pas het schilderij. De geest van de kunstenaar vind ik het meest interessant. Als een kunstenaar niet zou willen dat je een kijkje in zijn psyche krijgt, dan zou die niet exposeren. Of in mijn geval: dan zou ik wel een dagboek bijhouden in plaats van romans schrijven. Ik wil graag naar buiten brengen wat in mij leeft. Ik heb er geen zeggenschap over wat de lezer daarmee doet, maar ik stuur wel zijn aandacht en perceptie.’
Een van de manieren waarop Fanto dat doet, is de minder bekende details van algemeen bekende geschiedenis in haar verhaal verweven. Wanneer Béla bijvoorbeeld begint met het creëren van zijn narcissenparfum, is dat tegen de historisch correcte achtergrond van de opkomst van de parfumindustrie. ‘Voorheen probeerden mensen wel om lekker te ruiken, naar rozen of lavendel,’ legt Fanto uit. ‘Maar in de jaren twintig bedachten modehuizen dat ze geuren konden componeren, een parfum als product om jezelf te onderscheiden. Een geur die de eigen individualiteit onderstreept, dat was volledig nieuw.’
Ook als het gaat om de Tweede Wereldoorlog, gaat Fanto op zoek naar de verhalen die niet algemeen bekend zijn. ‘De gemiddelde lezer weet wel iets over de Anschluss (de annexatie van Oostenrijk door Duitsland in 1938, red.), maar bijvoorbeeld niet dat het hoofdkwartier van de Gestapo in het Weense Hotel Metropole gevestigd was. Of dat in Haarlem op een gegeven moment tijdens de bezetting het huisvuil niet meer werd opgehaald. Mensen brachten hun zakken naar de kade, waar het met bootjes werd afgevoerd. Omdat je als lezer wel de context herkent, word je geprikkeld om door te lezen.’
Wereldtoneel
Via de vriendengroep, de historische achtergrond en betekenisvolle details leidt Fanto de lezer naar een terugkerend thema. ‘Mijn werk gaat eigenlijk altijd over de invloed van grote ontwikkelingen op het wereldtoneel op individuele levens,’ zegt ze. ‘Dat thema gaat mij persoonlijk aan, want zonder Hitler zou ik niet geboren zijn. Mijn moeder was dan niet in België tijdens de onderduik geboren en was dus niet in Nederland mijn vader tegengekomen. Net als toen worden ook nu de levens van zoveel gewone mensen – in Iran, in Israël, in Gaza, in Oekraïne, in Rusland, waar dan ook – helemaal overhoop gegooid door wereldleiders. Levens worden niet meer bepaald door het lot, maar door dictators die kwaad in de zin hebben. Tegelijkertijd heb ik geen antwoord op de duistere krachten van deze tijd. Het enige wat ik kan doen, is schrijven.’

